Nieuws

Hogere melkprijs: wat kunnen we ermee?

Hogere melkprijs: wat kunnen we ermee?
Gepubliceerd: 14-02-2022, laatst gewijzigd: 24-02-2022

De actuele melkprijs is gestegen tot boven 45 cent. Omgerekend in oude centen weer rond de gulden. Het past bij de eerder voorspelde marktsituatie waarbij prijzen sneller stijgen en dalen.  Idee is dat de hogere melkprijs ruimte biedt voor extra’s, zoals bijvoorbeeld investeringen. Anderzijds is de hogere melkprijs nodig om bijvoorbeeld eerder opgelopen tekorten weer weg te werken.  

Flynth heeft de bedrijfsresultaten per kwartaal op een rij gezet over de jaren 2019, 2020 en 2021. Voor het vierde kwartaal van 2021 is met een aantal schattingen gewerkt. De analyse is gemaakt voor het gemiddelde van alle bedrijven en voor de top 25%. 

De ruimte om betalingsverplichtingen te kunnen doen is uitgedrukt in het bedrag dat beschikbaar is  voor privé, aflossing en reservering. Dit bedrag is uitgedrukt per kg geproduceerde melk. Het bedrag is het resultaat van alle opbrengsten minus alle kosten op het bedrijf, inclusief rentelasten. Afschrijvingen zijn geen uitgaven en zijn daarom buiten beschouwing gebleven. Het bedrag dat overblijft is beschikbaar voor de privé-uitgaven (inclusief belastingen), aflossingen en de benodigde vervangingsinvesteringen om het machinepark op peil te houden.  

Wat valt op? 

In de grafiek zien we duidelijke pieken en dalen. Zoals was te verwachten, worden de pieken veroorzaakt door een hoge melkprijs inclusief toeslag en nabetaling. De dalen worden vooral veroorzaakt door een lage melkprijs. Voorbeeld: de piek van het eerste kwartaal 2020 wordt met name veroorzaakt door behoorlijke nabetaling.   

Resultaten per kwartaal 

Het eerste kwartaal levert van de kwartalen in een jaar het grootste bedrag beschikbaar voor privé, aflossing en reservering. In dit kwartaal (de maanden januari, februari, maart), zien we ten opzichte van de andere kwartalen steeds een relatief groot bedrag beschikbaar voor privé, aflossing en reservering. Dit patroon komt in de verschillende jaren naar voren.  

In het eerste kwartaal is steevast sprake van relatief hoge gehaltes vet en eiwit. In combinatie met de ontvangen toeslagen en nabetaling komt er in deze periode relatief veel melkgeld binnen. Doordat er in deze maanden geen of beperkte uitgaven zijn voor teelt en loonwerk, liggen de totale uitgaven in het eerste kwartaal op een relatief laag niveau. De combinatie van relatief veel opbrengsten via melk en beperkte uitgaven verklaart het hoge beschikbare bedrag voor betalingen.   

In het tweede kwartaal (april, mei juni) wordt in de regel de meeste melk geproduceerd, maar de opbrengsten zijn toch lager dan in het eerste kwartaal. In deze periode liggen de voerkosten op het laagste niveau van het jaar. Door de uitgaven voor teelt en loonwerk in het tweede kwartaal is het beschikbare bedrag voor privé, aflossing en reservering het laagst van het hele jaar.  

In het derde kwartaal (juli, augustus, september) is in de regel sprake van de laagste melkproductie in kilogrammen met ook de relatief laagste gehaltes, dus minder melkgeld. In combinatie met een gemiddeld niveau van de uitgaven zorgt dit voor een ondergemiddelde betalingsruimte in het derde kwartaal.  

Elk jaar liggen de krachtvoerkosten per kg melk in het vierde kwartaal op het hoogste niveau. Samen met de uitgaven voor aangekocht ruwvoer zorgt dit voor de hoogste uitgaven voor voer. Hiernaast wordt er in het vierde kwartaal relatief veel uitgegeven aan onder meer pacht en huur voor fosfaatrechten. Dit laatste is logisch omdat in deze periode bekend is hoeveel fosfaatrechten nodig zijn en er eventueel wordt bijgehuurd om op jaarbasis goed uit te komen. In tegenstelling tot de andere kwartalen, is het vierde kwartaal het enige kwartaal waar sprake is van een grillig beeld door de jaren heen als het gaat om de beschikbare middelen voor privé, aflossing en reservering.    

Resultaten op jaarbasis 

Op jaarbasis liggen de beschikbare middelen voor privé, aflossing en reservering op de gemiddelde bedrijven op 11,07 cent (in 2019) op 9,97 cent (in 2020) en op 11,67 cent per kg melk (in 2021). Zie hier het effect van de verbeterde melkprijs sinds najaar 2021. Voor de top 25% bedrijven ligt dit tussen 14,59 cent (in 2020) en 16,37 cent (in 2021). 

Uitgaven voor privé, aflossing en vervangingsinvesteringen 

Voor een doorsnee bedrijf liggen de gemiddelde lasten voor privé-uitgaven rond 4 cent, voor aflossing op 5 cent en voor vervangingsinvesteringen rond 2 cent, samen 11 cent per kg melk. 

Situatie gemiddeld bedrijf 

Als het gemiddelde bedrijf in 2019 11,07 cent beschikbaar heeft, is dit precies voldoende om de benodigde uitgaven te kunnen voldoen. Maar is er in 2019 geen enkele ruimte geweest voor tegenvallers of het opbouwen van bufferruimte. Voor het jaar 2020 is voor het gemiddelde melkveebedrijf bij Flynth een beschikbaar bedrag berekend van bijna 10 cent. Stel dat er ook in dit jaar 11 cent nodig is voor privé-uitgaven, aflossingen en vervangingsinvesteringen, dan is er 1 cent per kg melk tekort. In combinatie met het niet kunnen opbouwen van bufferruimte in 2019 heeft dat de liquiditeitspositie voor diverse melkveebedrijven lastig gemaakt. Binnen een van bedrijven zijn tekorten ontstaan. Voor 2021 is een “beschikbare ruimte” berekend van 11,67 cent. Hiermee is er voldoende ruimte voor privé-uitgaven, aflossen en normale vervangingsinvesteringen. Maar nog steeds geen royale ruimte voor extra’s of extra buffer.  

Situatie bedrijven top 25% 

De hoeveelheid beschikbare middelen voor privé-uitgaven, aflossing en vervangingsinvesteringen lag hier in 2019 op 15,99 cent, in 2020 op 14,56 cent en in 2021 op 16,36 cent. Ervan uitgaande dat ook op deze bedrijven bij elkaar hiervoor 11 cent nodig is, is er in alle drie de jaren ruimte over voor eventuele extra’s of extra bufferruimte. 

Verschil tussen kopgroep en gemiddelde 

We zien een absoluut verschil tussen kopgroep en gemiddelde van bijna 5 cent per kg melk. De kopgroep heeft op jaarbasis bijna 5 cent per kg melk extra beschikbaar. Bij een melkproductieomvang van ruim 1.000 kg melk is dit een verschil van 50.000 euro op jaarbasis, oftewel een verschil van zo’n 1.000 euro per week wat wel of niet beschikbaar is. Bij bijvoorbeeld 3% rente en 30 jaar aflossen betekent dit een verschil in financieringsmogelijkheid van bijna 8 ton.  

Oorzaken verschillen 

Opbrengsten 

De kopgroep realiseert 0,02% hogere gehaltes aan vet en eiwit, waardoor een gemiddeld 1,1 cent hogere melkprijs. De overige bedrijfsontvangsten zijn hier 0,3 cent lager. 

Kosten  

De kopgroep heeft per kg melk 1,3 cent lagere voerkosten en 0,9 cent lagere overige directe uitgaven. Hiermee weet deze groep de melk 2,2 cent per kg goedkoper te produceren. In combinatie met een 1,1 cent hogere melkprijs ligt het saldo bij de 25% beste bedrijven 3,3 cent per kg melk hoger. De rest van het verschil wordt veroorzaakt door 1,8% lagere vaste uitgaven.               

Resumé 

Op een doorsnee melkveebedrijf was er in 2019 gemiddeld genomen precies voldoende ruimte om alle uitgaven voor privé, aflossingen en vervangingsinvesteringen te voldoen, maar geen ruimte voor het opbouwen van buffer.  Deze buffer was in 2020 wel nodig, omdat er in dit jaar gemiddeld ongeveer 1 cent per kg melk te kort was om bovengenoemde uitgaven te kunnen doen.  

De melkprijsstijging vanaf najaar 2021 levert extra betalingscapaciteit. Deze stijging is tot op dit moment nog onvoldoende om het gat uit de periode hiervoor te dichten. Daarvoor is een langere periode met verhoogde melkprijs nodig. De recente verdere melkprijsstijging stemt in dit opzicht positief.    

Bij de top 25% bedrijven was er afgelopen jaren (wel) ruimte om buffer op te bouwen, per jaar zo’n 3 tot 5 cent per kg melk. Op deze bedrijven is hiermee sprake van een gezonde financiële situatie met enerzijds voldoende ruimte voor het kunnen opvangen van tegenvallers en anderzijds ruimte om eventuele investeringen uit te voeren en te financieren. Ook als de investeringen niet gelijk bijdragen aan een positief rendement. 

Advies  

Zeker voor de doorsnee bedrijven is het zaak om meer zicht te krijgen op de loop van de betalingscapaciteit gedurende het jaar en rekening te houden met de patronen die naar voren komen. Hiermee ontstaat tijdig inzicht in het ontstaan van eventuele tekorten (of juist ruimte), bruikbaar om juiste keuzes te kunnen maken en/of tijdig contact te leggen met leveranciers en of bank.  

Meer vooruitkijken en plannen helpt en geeft inzicht en (nacht) rust! 

Heeft u aanvullende vragen of opmerkingen over dit artikel? Neem dan contact op met uw Flynth adviseur. 

Deel dit bericht via:

Geschreven door:

Bel: 088 23 67 777

Gerelateerde artikelen

Hans Scholte Senior Bedrijfskundig Adviseur bij Flynth Hans Scholte