Melkveehouderij en vergunningen: wat wél kan

 
Melkveehouderij en vergunningen: wat wél kan
Gepubliceerd: 02-04-2026, laatst gewijzigd: 02-04-2026

De vergunningensituatie voor melkveehouders staat al enkele jaren onder druk. Stikstof en natuur spelen een grote rol op de politieke agenda. Daardoor lijkt het soms alsof er nauwelijks iets mogelijk is. Toch is dat beeld niet volledig. Er zijn nog steeds ontwikkelkansen, maar ze vragen om een andere aanpak dan voorheen. We leggen graag uit wat er speelt, waarom vergunningverlening complex is en vooral wat er nog wél kan. 

Meld u aan voor de workshop Vergunningen – Wat wél kan 

Van losse regels naar één totaalbeeld 

Waar vroeger vooral werd gekeken naar afzonderlijke regels, kiest de overheid nu voor een integrale beoordeling. Dat betekent dat een ontwikkeling op uw melkveebedrijf niet alleen wordt getoetst op stikstof, maar ook op natuur, waterkwaliteit, klimaat en dierenwelzijn.  

Deze samenhang maakt vergunningverlening ingewikkelder. Tegelijk ontstaat er meer maatwerk. Gemeenten en provincies beoordelen plannen steeds vaker op de totale impact van het bedrijf in de omgeving. 

Stikstof blijft bepalend, maar niet overal op dezelfde manier 

Stikstof is nog steeds het belangrijkste thema. De overheid werkt met gebiedsgerichte aanpakken rond Natura 2000-gebieden. Per regio wordt gekeken wat mogelijk is, afhankelijk van de staat van de natuur en de stikstofbelasting. Dat betekent dat de ruimte voor vergunningen sterk kan verschillen per gebied en zelfs per bedrijf. Wat op de ene plek kansrijk is, kan elders lastig zijn. 

Mestregels en grondgebondenheid wegen zwaarder 

De afbouw van de derogatie verandert de mestregelgeving ingrijpend. Vanaf 2026 geldt voor alle bedrijven een maximum van 170 kilo stikstof uit dierlijke mest per hectare. Dit vergroot de druk op mestafzet en maakt grondgebondenheid belangrijker. 

Bedrijven met veel dieren en weinig grond krijgen het daardoor lastiger om uitbreiding te onderbouwen. Dit heeft al impact in de beoordeling van vergunningen onder de Omgevingswet, maar zal in de toekomst belangrijker worden wanneer doelsturing wordt toegepast. 

Omgevingswet zorgt voor kansen én onzekerheid 

Met de invoering van de Omgevingswet is het vergunningenstelsel veranderd. Er is nu één samenhangend systeem waarin milieu, bouwen, natuur en water samen worden beoordeeld. Dit biedt ruimte voor maatwerk, maar maakt de uitkomst minder voorspelbaar. Lokale keuzes en regionale prioriteiten spelen een grotere rol dan voorheen. 

Dierwaardige veehouderij krijgt steeds meer invloed 

In 2025 is het convenant voor een dierwaardige veehouderij gesloten. Hierin is afgesproken dat de veehouderij in 2040 volledig dierwaardig is. 

Hoewel dit convenant geen directe vergunningseis is, weegt het in de praktijk steeds zwaarder mee. Nieuwe of aangepaste stallen moeten passen bij het toekomstbeeld van dierwaardige veehouderij, zoals ruimte per dier en mogelijkheden voor natuurlijk gedrag. 

Waterkwaliteit als extra toets 

Ook waterkwaliteit wordt steeds belangrijker. Met de Kaderrichtlijn Water in 2027 in zicht, neemt de druk toe om uitspoeling van nutriënten te beperken. 

In gebieden waar de waterkwaliteit onvoldoende verbetert, kan dit een extra belemmering vormen voor vergunningverlening. Daarmee is stikstof niet langer het enige knelpunt. 

Wat kan er nog wél? 

Ondanks alle beperkingen zijn er nog steeds mogelijkheden. Vaak liggen die binnen bestaande vergunningen of vragen ze om een slimme herverdeling van ruimte. 

Voorbeelden zijn: 

  • optimalisatie binnen de huidige vergunning, zoals aanpassingen in voer en management 
  • intern salderen, waarbij emissieruimte binnen het bedrijf anders wordt benut 
  • extern salderen, met strenge voorwaarden en afroming 
  • investeren in meetbare en geborgde emissiereductie 
  • emissiearme stalsystemen en bewezen innovaties 

Daarnaast hebben bedrijven met meer grond per dier en een lagere emissiedruk een betere uitgangspositie, vooral in de buurt van Natura 2000-gebieden. 

Ontwikkelen vraagt om samenhang 

De grootste kansen liggen bij melkveehouders die meerdere doelen tegelijk realiseren: lage emissies, goede waterkwaliteit en een dierwaardige bedrijfsvoering. Vergunningverlening verschuift steeds meer richting een integraal oordeel over de toekomstbestendigheid van het bedrijf en zal naar verwachting op basis van doelsturing worden. 

Wilt u weten wat dit betekent voor uw bedrijf? 

Elke situatie is anders. Wat voor het ene bedrijf kan, is voor het andere niet haalbaar. Tijdens de workshop ‘Vergunningen – Wat wél kan’ krijgt u inzicht in de actuele regels, de ruimte die er nog is en hoe u die kunt benutten binnen uw eigen bedrijfssituatie. 

Meld u aan voor de workshop Vergunningen – Wat wél kan. 

Nieuws

Geschreven door: