Grondgebondenheid en beschikkingsmacht bij grondgebruik

Nieuws

Nieuwe regels rond grondgebondenheid vergroten de behoefte aan samenwerking. Een recente CBb-uitspraak geeft meer duidelijkheid over beschikkingsmacht en grondgebruik.

De nieuwe kabinetsplannen voor grondgebondenheid in de melkveehouderij vergroten de behoefte aan samenwerking tussen melkveehouders en akkerbouwers. Maar daarbij ontstaat een belangrijke vraag: wie heeft de beschikkingsmacht over de grond?

Een recente uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) geeft hierover meer duidelijkheid. Die uitspraak kan van belang zijn voor subsidies vanuit het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), maar ook voor fiscale regelingen en bedrijfsovername.

Meer vraag naar samenwerking

Onderdeel van recente kabinetsplannen is de invoering van een grondgebondenheidsnorm voor de melkveehouderij. In een Kamerbrief wordt 2,6 GVE per hectare als eindnorm in 2035 genoemd.

Als de voorgestelde norm voor grondgebondenheid wordt ingevoerd, zullen veel melkveehouders extra grond nodig hebben. In combinatie met de hoge grondprijzen zal dit in de praktijk leiden tot meer samenwerkingen. Bijvoorbeeld op basis van deelteelt of creatieve varianten hierop. Ook de minister noemt samenwerking met akkerbouwers binnen een straal van 25 kilometer als een mogelijke oplossing. Dat klinkt logisch, maar in de praktijk blijkt niet iedere samenwerkingsvorm ook goed te werken voor bijvoorbeeld mest- en GLB-regelgeving en fiscale regels.

Beschikkingsmacht in de praktijk

Het CBb deed eerder in 2026 een interessante uitspraak over de vraag aan wie de beschikkingsmacht van een perceel landbouwgrond moet worden toegerekend. Een aardappelteler(loonwerker)verrichtte op diverse percelen van andere landbouwers (veehouders)vrijwel alle werkzaamheden rondom de aardappelteelt. Volgens de minister had de aardappelteler daardoor de feitelijke beschikkingsmacht over de gronden.In dat gevalhadden de veehouders de percelen ten onrechte opgegeven in hun GLB-aanvragen.Het CBboordeelt echter anders. Het CBb benadrukt dat niet alleen moet worden gekeken naar wie de werkzaamheden uitvoert, maar vooral: wie de grond met voldoende zelfstandigheid beheert en voor wiens rekening en risico de landbouwactiviteit plaatsvindt.

In deze zaak speelde mee dat:

  • de betreffende veehouders eigenaarwaren van de grond
  • zij betrokken bleven bij belangrijke teeltbeslissingen
  • zij eeneconomisch belang hadden bij de opbrengst en er werd afgerekend tegen een vaste prijs per kilogram product
  • deaardappelteelt onderdeel was van hun eigen bedrijfsvoering

Daarnaast verbeterde de aardappelteelt de bodemstructuur voor de daaropvolgende grasproductie voor het vee. Onder die omstandigheden bleven de percelenvolgens het CBb voor de GLB-subsidiebehoren tot het landbouwbedrijf van de veehouders.

Let op bij samenwerking en verhuur

Flynth ondersteunt agrarische ondernemers die willen samenwerken via passende samenwerkingsvormen. Daarom heeft Flynth deze CBb-uitspraak met veel belangstelling bestudeerd. Want er speelt meer dan alleen GLB-subsidies.

De Belastingdienst kijkt kritischer naar “echte” vruchtwisseling. Daardoor nemen de fiscale risico’s bij grondruil toe en komt er meer bewijslast bij de ondernemer. Sinds afgelopen najaar loopt een agrarisch ondernemer meer risico dat de landbouwvrijstelling vervalt als grond tijdelijk uit gebruik wordt gegeven, met meer belasting tot gevolg.

Ook bij de Bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) ondervinden agrarische ondernemers beperkingen, als de onderlinge samenwerking via grondruil en verhuur niet aan de vruchtwisselingseis voldoet.

Betekenis voor de agropraktijk

De CBb-uitspraak is niet alleen relevant voor de GLB-subsidies. Ook bij teeltovereenkomsten, vruchtwisseling en samenwerkingen tussen akkerbouwers en veehouders kan de uitspraak - mits de omstandigheden vergelijkbaar zijn steun bieden bij de vraag aan wie grond moet worden toegerekend.

Ook voor debedrijfsopvolgingsregeling (BOR) kan deze uitspraak steun bieden. Daarbij blijft het gebruik van de grond binnen de eigen onderneming essentieel.

Daarnaast is deze uitspraak voordetoepassing van delandbouwvrijstelling relevant.Daarbij gaat het niet alleen over de beschikkingsmacht over de grond, maar ook om de vraag wie de grond daadwerkelijk gebruikt binnen de eigen onderneming<>en voor wiens rekening en risico het gewas wordt geteeld.

Uitspraak zet beleid op scherp

De overheid kijkt kritisch naar samenwerking, grondruil en vruchtwisseling tussen akkerbouwers en melkveehouders. Tegelijkertijd wijst de minister juist deze samenwerkingen aan als mogelijke oplossing om aan de toekomstige eisen voor grondgebondenheid te voldoen. De recente CBb-uitspraak laat zien dat de praktijk vaak genuanceerder is dan regelgeving soms veronderstelt. Mogelijk biedt deze uitspraak de minister aanleiding om het beleid op dit punt nog eens kritisch te heroverwegen.

Aan de slag met grondgebondenheid

Houdt de ontwikkelingen rond de GVE-norm voor grondgebondenheid goed in de gaten. Breng tijdig in beeld wat dit betekent voor uw bedrijf. Onze adviseurs denken graag met u mee over mogelijke en passende scenario’s en de gevolgen voor samenwerking, grondgebruik en fiscaliteit.

Auteurs

  • Hans Scholte

    Hans Scholte

    Ik ben senior bedrijfsadviseur bij Flynth sinds 1991, ondersteun melkveehouders en akkerbouwers bij bedrijfsontwikkeling en financiering. Analyseer haalbaarheid, verbeter exploitatie en begeleid succesvolle financieringsaanvragen.