Nieuws

RVU-vrijstellingsregeling

RVU-vrijstellingsregeling
Gepubliceerd: 20-09-2021, laatst gewijzigd: 20-09-2021

Op 5 juni 2019 is het Pensioenakkoord gesloten. Hierin is afgesproken dat werkgevers vanaf 1 januari 2021 geen fiscale strafheffing (RVU-heffing) meer betalen wanneer zij werknemers een vergoeding betalen van maximaal € 22.164 bruto per jaar. Deze regeling is bedoeld voor werknemers die nog drie jaar of minder moeten werken tot de AOW-gerechtigde leeftijd. Zij biedt werkgevers en werknemers de mogelijkheid fiscaal gunstige afspraken te maken over vervroegde uittreding. Het is een tijdelijke regeling die geldt tot en met 2025.

Wat is de RVU-regeling?

RVU staat voor de Regeling voor Vervroegde Uittreding (RVU) en geldt sinds 1 januari 2005. Hieronder wordt verstaan een (deel-) regeling die (nagenoeg) uitsluitend als doel heeft om te voorzien in één of meer uitkeringen of verstrekkingen ter overbrugging van de tijd tot de pensioendatum of de AOW. Indien een regeling kwalificeert als RVU, is de werkgever over de uitkering of aanvulling de RVU-heffing (pseudo-eindheffing) verschuldigd van 52%. Deze heffing maakt een RVU voor een werkgever niet erg aantrekkelijk.

Wat is de RVU-vrijstellingsregeling?

Van 2021 tot en met 2025 (met een uitloop tot en met 2028) geldt een zogenoemde “RVU-drempelvrijstelling”. Dat wil zeggen dat werkgevers geen RVU-heffing betalen tot een bedrag dat netto overeenkomt met de AOW voor alleenstaanden. Concreet gaat het om het bedrag van €1.847 bruto per maand of € 22.164 bruto per jaar (bedrag 2021; wordt jaarlijks herzien). Gaat het om een bedrag ineens, dan wordt het gemiddelde genomen door het uitgekeerde bedrag te delen door het aantal maanden dat resteert tot aan de AOW-leeftijd. Over het meerdere is de RVU-heffing nog wel van toepassing. De hoogte van de RVU-drempelvrijstelling wordt in de jaren 2021 tot en met 2025 jaarlijks herzien, zodat het blijft aansluiten bij de netto-AOW.

Voor wie is de RVU-vrijstellingsregeling?

De regeling geldt voor alle werknemers die binnen drie jaar hun AOW-gerechtigde leeftijd bereiken. Voor het treffen van de regeling geldt wederzijdse vrijwilligheid. Dat kan anders liggen bij collectieve (cao-)regelingen voor vervroegd uittreden. Voorbeeld: in de cao Motorvoertuigenbedrijf en Tweewielerbedrijf heeft de werknemer het recht te kiezen voor deelname aan de regeling. Het initiatief dient dan wel uit te gaan van de werknemer en de uitkering is maandelijks en wordt gefinancierd vanuit een fonds.   

RVU en WW?

De versoepeling van de RVU heeft als doel mensen die niet langer kunnen doorwerken tot aan de AOW-leeftijd tijdelijk de mogelijkheid te bieden om eerder te stoppen met werken, terwijl de WW juist is bedoeld voor personen die weer aan de slag willen. De beide regelingen schuren daarom met elkaar. In collectieve of subsidie regelingen staat veelal dat het initiatief van de werknemer behoort uit te gaan, waardoor een WW-uitkering de pas wordt afgesneden. Als RVU-afspraken echter buiten de collectieve of subsidie regelingen tot stand komen (en dus in wederzijdse vrijwilligheid) kan er wel een WW-recht bestaan. Wanneer werknemers zogenoemd niet verwijtbaar werkloos zijn en zij tevens beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt kunnen zij naast de RVU-afspraken mogelijk recht hebben op een WW-uitkering.

Wilt u zorgen dat de RVU voor werkgever en werknemer het gewenste effect heeft, neem dan tijdig contact op met de juridsche adviseurs van Flynth.

Geschreven door:

Bel: 088 23 67 777
John Paffen Senior Juridisch Adviseur bij Flynth John Paffen