My Flynth
Blog

Fosfaatrechten nieuwe horde voor melkveehouders

Gepubliceerd: 20-04-2016, laatst gewijzigd: 20-04-2017

Intro

Invoering van fosfaatrechten betekent dat er veel verandert voor melkveehouders: Elke melkveehouder moet terug naar het niveau van 2 juli 2015 of nog fors lager, tot 8% onder ‘2 juli 2015’. Toename van fosfaatproductie (≈ mestproductie ≈ aantal dieren) is alleen toegestaan als de ondernemer rechten verwerft. Het gevolg van de invoering van fosfaatrechten zal tweeledig zijn. Ten eerste gaan melkveehouders op zoek naar mogelijkheden om binnen het aantal toegekende fosfaatrechten de melkproductie te optimaliseren. Ten tweede zal er een markt ontstaan van vraag en aanbod van fosfaatrechten. De waarde van het fosfaatrecht zal naar verwachting flink oplopen omdat het een beperkende productiefactor wordt.

Melkvee houden vanaf 2018

Een melkveehouder is in 2018 gebonden aan diverse wetten en regels. De belangrijkste wetten zijn de Meststoffenwet, inclusief het stelsel van fosfaatrechten en de AMvB grondgebonden groei.

De meststoffenwet regelt hoeveel mest er op de eigen grond mag worden aangewend. Is er meer mest dan op het eigen land mag worden aangewend, dan moet de overige mest worden afgevoerd, soms nog met extra eisen voor mestverwerking. Dat betekent extra kosten voor melkveehouders die onvoldoende grond hebben voor hun eigen mest. Het stelsel van fosfaatrechten regelt dat uitbreiding van het aantal dieren slechts mag als de melkveehouder daarvoor (diergebonden) fosfaatrechten heeft. In de Meststoffenwet is al vastgelegd hoeveel fosfaat een dier produceert. Dat is afhankelijk van de leeftijd van dieren en van het melkproductieniveau.

De AMvB grondgebonden groei stelt voorwaarden aan de groei van het melkveebedrijf. Hoe hoger de huidige mestproductie per ha land, des te meer extra grond moet worden verworven bij uitbreiding van dieren.

Vanaf nu is de grootste horde bekend: Ricardo’s rentetheorie

Een praktische economische vuistregel zegt dat de waarde van limiterende productiefactoren toevloeit naar de meest beperkende productiefactor. Deze vuistregel vindt zijn oorsprong in de rentetheorie van Ricardo.

Vroeger, voor het melkquotumtijdperk, waren de beperkende factoren landbouwgrond, arbeid en kapitaal. Melkquotum was vanaf 1984 beperkend en na het quotumtijdperk is korte tijd grond en kapitaal in combinatie met een omgevingsvergunning en ammoniakrechten/PAS beperkend geweest. We verwachten dat vanaf 2018 het stelsel van fosfaatrechten de meest beperkende factor zal worden.

Inkomen van melkveehouder gaat de waarde van fosfaatrechten bepalen

De waarde van fosfaatrechten zal worden bepaald door de verdiensten die melkveehouders ermee realiseren. Melkveehouders zullen inschatten wat zij kunnen verdienen met een extra fosfaatrecht: dit wordt de marginale opbrengst genoemd. De melkveehouder die er het meest mee kan verdienen bepaalt dus de prijs voor de fosfaatrechten. Vanuit deze gedachte kun je rekenen aan de maximale prijs die een melkveehouder bereid is te betalen: de marginale opbrengsten minus de marginale kosten is het bedrag dat jaarlijks verdiend kan worden met het fosfaatrecht.

De verschillen in bedrijfsresultaat tussen melkveehouders zijn enorm. Onder vergelijkbare omstandigheden verdient de ene melkveehouder meer dan de andere. Die verschillen (25% hoogst presterende versus 25% laagst presterende melkveehouders) lopen op tot meer dan 5 cent per kg melk (€ 50.000 bij een productie van 1 miljoen kg melk). Gemiddeld is de kritieke melkprijs (de prijs die juist voldoende om alle kosten te dekken) rond de 35 cent per kg melk. Voor 80% van de melkveehouders ligt de kritieke melkprijs tussen de 30 en 40 cent per kg melk. Bij zo’n 10% ligt de kritieke melkprijs boven de 40 cent. Ook ongeveer 10% heeft  al een positieve marge bij een melkprijs van 30 cent. Naast management spelen de regio (mestafzetkosten), grondsoort en dergelijke ook een rol. Het gevolg is dat de ene melkveehouder aanzienlijk meer zal kunnen betalen voor extra fosfaatrechten dan de andere.

Hoe hoog de prijs wordt is ook nog afhankelijk van de noodzakelijke terugverdientijd: op 6 december 2016 is het amendement van Dijkgraaf aangenomen (Tweede Kamer der Staten Generaal, vergaderjaar 2016-2017, 34532, Nr. 91 Amendement van het lid Dijkgraaf SGP)). Daarin staat dat de fosfaatrechten voor bepaalde tijd worden ingevoerd. Gepleit wordt voor een periode van vijf jaar. Het afschrijfbaar worden van fosfaatrechten betekent dat de prijs die een koper kan betalen hoger wordt. Elke ondernemer kan de afschrijvingen over fosfaatrechten als kosten opvoeren. Deze kosten drukken het winstniveau en daarmee ook de te betalen belasting (inkomstenbelasting of – bij een BV – vennootschapsbelasting. In de beleving van de ondernemer ‘betaalt’ de fiscus dan mee. Als de termijn zeker 5 jaar wordt drukt dat de prijs weer. 

Waarom nieuwe regelgeving fosfaat in Nederland?

In de jaren ’70 van de twintigste eeuw kende de EU een periode van overproductie met boterbergen en volle melkpoedersilo’s. Vanaf 1984 heeft de EU het melkquotum met een superheffing ingevoerd om de zuivelproductie te beteugelen. In de loop van de jaren ontstond steeds meer discussie over het melkquotum, vooral omdat de wereldwijde vraag naar zuivel groeide en de EU door de melkquotering geen aandeel kon leveren in die groei.  Uiteindelijk is besloten dat na 2014-’15 de melkquotering zou worden afgeschaft. Op 1 april 2015 was het einde een feit en waren melkveehouders niet meer gebonden aan een productiebeperking voor melk. Sindsdien verschillen de reacties in de lidstaten sterk. In heel Europa bedroeg de groei bijna 3%. Er was forse groei in Spanje (+14%), Ierland (+13%), Luxemburg (+9%), Nederland (+7%) en Hongarije (+5%). En er was krimp in Letland (-8%), Roemenië (­-4%), Slowakije (-2%), Frankrijk (-2%), Italië (-2%), Zweden (-2%), Litouwen (-2%) en België (-2%).

Nederland heeft een fosfaatplafond van 172,9 miljoen kg fosfaat. Dat plafond is het maximum dat de veestapel in Nederland als geheel mag produceren. Daarnaast kent de EU regels voor aanwending van stikstof (N) uit dierlijke mest. In principe mag jaarlijks maximaal 170 kg N op een hectare land worden gebracht. De EU heeft Nederland derogatie (lees: uitzondering) verleend voor die laatste regel, dat wil zeggen dat er alternatieve regels voor die basisregel gelden: afhankelijk van de regio mogen melkveehouders 250 of 230 kg N uit dierlijke mest op een hectare land brengen. Dat betekent – uitgaande van derogatie – dus dat op alle land die in gebruik is bij melkveehouders in principe 60 tot 80 kg N per ha extra mag aanwenden. Zonder derogatie zou er veel meer dierlijke mest moeten worden afgezet of verwerkt, een hoeveelheid waarvoor in elk geval onvoldoende land bij melkveehouders en niet-melkveehouders beschikbaar is.  Elke vier jaar moet Nederland opnieuw een verzoek doen om voor derogatie in aanmerking te komen; in 2017 opnieuw voor de periode 2018-2021. De EU heeft inmiddels aangegeven dat er niet opnieuw derogatie zal worden verleend zolang het fosfaatplafond overschreden wordt.

Hier ligt de oorsprong van de invoering van fosfaatrechten voor de melkveehouderij in Nederland. 2017 is een overgangsjaar waarin Nederland binnen het fosfaatplafond moet komen. Daarvoor is de Regeling fosfaatreductieplan 2017 ontstaan. Dat is de opmaat naar invoering van fosfaatrechten vanaf 2018. Er zijn nog vele bestuurlijke en juridische hobbels maar in de rest van het artikel ga ik ervan uit dat de fosfaatrechten er komen in 2018. 

Vergelijking met melkquotum

Melkquotum is gedurende ruim 30 jaar de beperkende factor geweest voor veel melkveehouders. Na een schoorvoetend begin werd het vele jaren tegen een forse prijs verhandeld onder melkveehouders. Vooral toen de overdracht uiteindelijk redelijk los van landbouwgrond mogelijk werd, en toen er geen einddatum voor het quotum bekend was, liep de prijs fors op. Uiteindelijk werd maximaal ongeveer vijf maal de jaaropbrengst van melk betaald. Een enorme prijs! Of er voor fosfaatrechten vergelijkbare prijsniveaus gaan ontstaan is zeer de vraag. Ten eerste is financiering door banken aanzienlijk moeilijker geworden. Ten tweede zijn er nu striktere regels voor de grondgebondenheid. Dat betekent dat er – afhankelijk van de mestproductie per ha – ook financiële ruimte moet zijn voor (aanvullend) verwerving van grond, ongeacht of het huur, pacht, erfpacht of koop is. De regel voor grondgebondenheid luidt: groei in mestproductie is toegestaan zolang maar niet meer afvoer dan 20 kg fosfaat per ha nodig is. Zodra de mestproductie 20 kg fosfaat boven de plaatsingsruimte komt moet 25% van de groei in mestproductie op eigen land tot aan het niveau van 50 kg fosfaat. Bedrijven met een mestproductie van 50 kg of meer boven de plaatsingsruimte moeten de helft van extra mest kunnen plaatsen op eigen land. Ten derde zijn er striktere regels voor mestafzet en ­-verwerking. Bedrijven moeten MVO’s (Mest Verwerkings Overeenkomst)  of VVO’s (Vervangende verwerkings Overeenkomst) afsluiten om aan de mestverwerkingseisen te voldoen. Afhankelijk van de regio waarin het bedrijf ligt, moet in 2017 buiten de concentratiegebieden minimaal 10% van het overschot gedekt zijn door een MVO of VVO. In de regio Zuid moet minstens 58% en in Oost minstens 52% van het overschot gedekt zijn door een MVO of VVO.

Eén escape: efficiencyverbetering

Uitgaande van een bedrijfsstrategie waarbij de fosfaatproductie gaat toenemen, zullen – zoals hieroor aangegeven – investeringen in fosfaatrechten en eventuele economische gevolgen door verwerving van grond en mestafzet/-verwerking aan de orde zijn. Echter, er is één escape voor melkveehouders, en dat is efficiencyverbetering. Daarmee wordt bedoeld: binnen de beschikbare fosfaatrechten de melkproductie optimaliseren. Dat betekent een maximale melkproductie met zo weinig mogelijk dieren: focus gaan leggen op hogere melkproductie per koe, langere levensduur van melkkoeien en minder jongvee aanhouden. Flynth heeft in 2016 twee onderzoeken uitgevoerd, één in samenwerking met Wageningen Universiteit en één in samenwerking met Aeres Hogeschool Dronten. Hieruit blijkt dat efficiencyverbeteringen aanzienlijke economische voordelen kunnen opleveren.

Optimaal inrichten van het melkveebedrijf kan bijna € 30.000 opleveren

De maatregelen die een melkveehouder kan nemen zijn gebaseerd op literatuurgegevens en een modelanalyse door Wageningen Universiteit en Flynth (Economische optimalisatie van fosfaatrechtengebruik op een melkveebedrijf. Afstudeerscriptie door Sierd Tappel student Wageningen Universiteit, leerstoelgroep Bedrijfseconomie, in opdracht van Flynth adviseurs en accountants). Voor de afstudeerscriptie zijn vier maatregelen onderzocht. Met een gesimuleerd melkveebedrijf van ongeveer 100 melkkoeien en bijbehorend jongvee als LP-model (Lineair Programmeringsmodel van Wageningen Universiteit) zijn er technische, milieutechnische en economische resultaten berekend voor zowel een intensief als extensief melkveebedrijf. Als uitgangssituatie voor het model zijn realistische waardes genomen op basis van melkveebedrijven die klant bij Flynth zijn. Door de maatregelen in het model te implementeren zijn de effecten berekend. Doorgerekende maatregelen:

  1. Verlagen overtollig jongvee (geen verkoop vaarzen meer); jongveebezetting van 7,5 naar 5,5 stuks jongvee per 10 melkkoeien.
  2. Verhogen levensduur melkkoeien met 6 maanden, van 5 jaar en 8 maanden naar 6 jaar en 2 maanden (jongveebezetting kan daarmee van 5,5 naar 5,0 stuks jongvee per 10 melkkoeien, omdat het vervangingspercentage melkkoeien omlaag kan door de hogere leeftijd).
  3. Verhogen melkproductie per koe per jaar
        a. 500 kg melk extra,
        b. 1000 kg melk extra.
  4. Verlagen fosforgehalte in het rantsoen, van 3,73 g fosfor naar 3,50 g fosfor per kg droge stof.

De doorrekening is gemaakt voor een extensief bedrijf (circa 12.000 kg melk per ha) en een intensief bedrijf (circa 17.000 kg melk per ha). Voor beide zijn dezelfde maatregelen doorgerekend.

De arbeidsopbrengst per jaar bedraagt op een intensief melkveebedrijf € 32.000 en op een extensief melkveebedrijf € 55.000. Dit verschil wordt veroorzaakt door de toeslagrechten die per hectare worden uitgekeerd, door hogere voerkosten en door kosten van het afvoeren van mest. De effecten van de maatregelen op de arbeidsopbrengst zijn op een intensief en extensief bedrijf nagenoeg gelijk.

In de tabel staat een samenvatting van de resultaten. Door te stoppen met opfokken van overtollig jongvee (Maatregel 1, verlaging van 7,5 naar 5,5 stuks jongvee per 10 melkkoeien) stijgt de arbeidsopbrengst met € 4.000 tot € 4.500.

Verhoging van de levensduur met zes maanden (Maatregel 2) levert zo’n € 11.000 op.
Verhoging van de melkproductie per koe met 500 kg (Maatregel 3A) levert € 8.000 à € 9.000 extra op. Verhoging met 1000 kg melk per koe (Maatregel 3B) levert € 15.000 tot € 17.000 op.
Verlaging van het fosforgehalte in het rantsoen (Maatregel 4) levert € 300 op bij een intensief bedrijf en € 3.400 bij een extensief bedrijf.
Door interactie tussen maatregelen is de combinatie niet altijd een optelsom van afzonderlijke effecten. In de tabel staat het resultaat van enkele combinaties. 

Tabel: Effect maatregelen op melkveebedrijf.

De maatregelen rondom het vee (jongvee, levensduur en melkproductie) leveren samen zo’n € 25.000 tot € 27.000 op. Een lager fosforgehalte in het rantsoen levert aanvullend op de andere maatregelen zo’n € 2000 tot ruim € 4000 extra op.

Alle maatregelen samen leveren zowel bij een intensief bedrijf als bij een extensief bedrijf een stijging van de arbeidsopbrengst op van zo’n € 29.000. Het aantal melkkoeien kan in beide situaties van 106 naar 115 binnen het beschikbare aantal fosfaatrechten. De melkproductie per kg fosfaat stijgt dan van  170 kg melk in de basissituatie naar 207 kg melk. Een stijging van zo’n 22% melk per kg fosfaatrecht dus!

Optimalisatie voederwinning en voeding dieren kan aanvullend € 8.000 opleveren

Een ander afstudeeronderzoek is uitgevoerd op basis van praktijkresultaten van Flynth-klanten (Economisch effect van optimaliseren binnen het nieuwe fosfaatquotum; afstudeerscriptie door Tom de Groot van Aeres Hogeschool Dronten, in opdracht van Flynth adviseurs en accountants). Het effect van verschillende maatregelen is onderzocht door de effecten te simuleren op 10 praktijkbedrijven van Flynth. Simulatie is gebeurd met een Flynth-analysemodel, waarmee de effecten van maatregelen kunnen worden doorgerekend. De modelstudie van Sierd Tappel is uitgevoerd op basis van gemiddelde begrote resultaten van bedrijven. Met het Flynth-model kon aanvullend op het WUR-onderzoek ook berekend worden welk effect te verwachten is van efficiencyverbeteringen op het melkveebedrijf door betere BEX (bedrijfsspecifieke excretie). Hierin is het verschil in resultaat tussen bedrijven meegenomen. Het gemiddelde BEX-voordeel van de 10 praktijkbedrijven bedroeg 5,2%. Er is gesimuleerd met 15,2% BEX-voordeel, dit is tien procentpunt extra. Dat is een hoog ambitieniveau, maar tegelijk wel haalbaar en dus realistisch. Om dat te kunnen bereiken moet de bedrijfsvoering pico bello op orde zijn. Productie van voer op het eigen land is een belangrijke factor, zowel de hoeveelheid als de kwaliteit van het eigen ruwvoer. Meten, registreren en analyseren leiden uiteindelijk tot een beter resultaat. Bij veel melkveehouders is het werk op het land enigszins op het tweede plan gekomen en heeft de veestapel en de stal relatief meer aandacht gekregen. Een optimaal resultaat is alleen haalbaar met meer aandacht voor voerproductie en weidegang. Gemiddeld levert zo’n efficiencyverbetering (BEX-voordeel van 5% naar 15%) ruimte voor meer dan 10% extra melkproductie. De arbeidsopbrengst stijgt daarmee met € 8.000 per bedrijf. En dat is bovenop de stijging van de arbeidsopbrengst uit het WUR-onderzoek. Dat loont de inspanning, zeker als het alternatief aankoop van fosfaatrechten is.

KringloopWijzer en efficiency

Met het instrument KringloopWijzer kan de melkveehouder op twee fronten de efficiency op het eigen bedrijf beïnvloeden. Het eerste front is de BEX (Bedrijfseigen excretie), waarmee zichtbaar wordt hoe efficiënt de veestapel wordt gevoerd: het resultaat van efficiënter voeren, is een lagere mestproductie per dier, met als gevolg minder verplichte afvoer van mest. De inbedding van BEX in de KringloopWijzer moet nog plaatsvinden. Het tweede front  is een bedrijfseigen bemestingsnorm: een beloning met hogere bemestingsnorm voor bedrijven die veel produceren op hun eigen land. Of dit laatste middels regelgeving beschikbaar komt is nog behoorlijk onzeker. Het kader van de regeling is in een ontwerpfase maar de invoering nog allerminst zeker. Dat is vooral afhankelijk van voldoende borgingsmogelijkheden. 

Conclusies en discussie

Onze overtuiging is dat fosfaatrechten de belangrijkste barrière zullen worden voor groeiende melkveehouders. Door aanpassingen in het bedrijf is het mogelijk om binnen de beschikbare fosfaatruimte meer melk te produceren, tot maximaal 30%. De haalbaarheid van efficiencyverbeteringen is afhankelijk van de ondernemer, de uitgangssituatie en de wijze waarop de KringloopWijzer een plaats krijgt in de definitieve regels. Het realiseren van efficiencyverbeteringen is niet eenvoudig. Een melkveebedrijf is een ingewikkeld bedrijf met eigen voerproductie en een veestapel, met melkkoeien en jongvee. Van groot belang is dat de melkveehouder goede keuzes maakt ten aanzien van eigen voerproductie en de veestapel (melkkoeien en jongvee). Tegelijk blijven de ‘groene vingers’ ontzettend belangrijk omdat er met levende dieren gewerkt wordt en omdat de omstandigheden tussen jaren verschillen. De melkveehouders die het best in staat zijn om de bedrijfsvoering aan te passen aan de nieuwe regels zijn ook de melkveehouders die (in het algemeen) de hoogste prijs willen en kunnen betalen voor barrières die bedrijfsontwikkeling in de weg staan. Uit het oogpunt van rendement is de optimale aanpak: Stap 1: groeien in melkproductie door de bestaande rechten maximaal te benutten. Stap 2: groeien door aankoop van fosfaatrechten.

Welke waarde gaan melkveehouders aan die rechten toekennen? Dat is afhankelijk van de extra inkomsten dankzij de rechten. Op dit moment circuleren er bedragen van € 125 per kg fosfaat (uitgaande van netto beschikbaar, want dat bedrag wordt uiteindelijk beïnvloed door de afroming van 10% bij overdracht tussen derden). De prestatieverschillen tussen melkveehouders in kg melk per (aangekochte) kg fosfaat en economisch resultaat per kg melk zijn heel groot. Waar gaat de prijs per kg fosfaat naar toe? De prijs voor fosfaatrechten is het resultaat van vraag en aanbod. Krapte bij aanbod, een hogere melkprijs en een inschatting dat fosfaatrechten langer zullen bestaan werken prijsverhogend. Andere factoren als grond, weinig potentiële bedrijfsopvolgers, hoge kosten voor voer en andere belemmeringen voor melkveehouders werken dempend op de prijs van fosfaatrechten. 

Onze visie bij Flynth is dat het absoluut loont om als melkveehouder te investeren in kennis; kennis om de bedrijfsvoering te optimaliseren. Dat versterkt het bedrijf van melkveehouders. In eerste instantie om de kortingen van de nieuwe regels op te vangen. En mogelijk ook om te kunnen ontwikkelen / groeien zonder aankoop van fosfaatrechten. Een optimaal draaiend melkveebedrijf heeft de beste positie om verder te ontwikkelen ook indien aankoop van fosfaatrechten daarvoor nodig is.

 

Deel dit bericht via:

Geschreven door:

Meer weten

Een vestiging bij u in de buurt
Bel:

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws

Jan Breembroek

Jan.Breembroek@flynth.nl